Guido Bindels
©2015 Guido Bindels
Fragment uit het boek Zielensprong… Twee neuzen snuffelden in de lucht. Het was lang, heel lang geleden dat Ry deze lucht had geroken. Het was de lucht van een soortgenoot, van een mens! Een gewonde mens, want Ry rook ook de geur van bloed. Het was nog heel vaag, heel ver weg allemaal, maar toch werd Ry opeens bang, bang en tegelijkertijd nieuwsgierig. Ze werd nieuwsgierig omdat de geur van een mens haar op de een of andere manier deed denken aan een leven achter de droomflarden, een leven dat er al zo lang niet meer was, het onzichtbare deel van haar bestaan. Ze leefde inmiddels als een dier. Ze had geleerd zich niet meer druk te maken over oorzaak en gevolg en te leven bij het moment van de dag of de nacht. Een dier ligt nooit wakker van zijn eigen gedachten. Een dier creëert geen gevoelens, gedachten en problemen die op het moment van het creëren niet van levensbelang zijn. Een dier laat veranderingen van het leven van alledag door zich heengaan en past zich dan aan. Een mens, zo wist Ry nog uit de tijd dat ze hier pas in het woud was komen wonen, laat dat leven van alledag niet zomaar over zich heengaan. Een mens houdt vast aan bepaalde gevoelens, gedachten, problemen. Hij maakt zich druk, koestert tegenslagen, angsten, het verleden. Een mens houdt al deze zaken vast en kan daardoor niet verder. Het dier daarentegen laat gebeuren wat gebeurt. Het voelt, beleeft en gaat verder. Het laat het allemaal door zich heen stromen, zonder gedachten, zonder er ’s nachts wakker van te liggen. Een dier leeft zoals het eet. Het kauwt, proeft, voelt en slikt door. En als het eten is doorgeslikt, dan is meteen ook het gevoel, de smaak voorbij. Ry had ook zo leren leven. In zichzelf en in balans. Ze leefde zoals de dieren, tobde niet over gisteren, maakte zich niet druk over morgen, als er vandaag maar genoeg te eten was. Nu rook ze opeens een mens. Het prikkelde haar neus op een bijzondere manier. Het prikkelde niet alleen haar neus, maar ook haar hersenen. Zonder dat ze het zelf besefte, maakte de geur herinneringen aan gisteren en vragen over morgen in haar wakker. Zonder dat Ry wist waarom, deed de geur van mensenvlees en mensenbloed haar meer dan alle droomflarden die er waren geweest. Ze inhaleerde de vage lucht gulzig. Naast haar snoof N’Kan grauwend in de lucht en klauwde in de grond. Instinctief voelde de tijger dat deze lucht problemen met zich mee bracht. Samen renden ze weg, de vrouw en de tijger, ze snoven en renden, de lucht van een mens tegemoet... Zijn oren waren eerder open dan zijn ogen. Hij hoorde een engel zingen. Met hoge, maar zachte en zalvende stem, het was een stem die genas. Zijn schouders en armen, die rood en rauw verbrand waren, deden geen pijn meer, de wond aan zijn been voelde hij nauwelijks. Dit moet, dacht Jan, de hemel zijn, ik ben dood en nu mag ik gaan leven en genieten. Knipperend opende hij zijn ogen. Door de bomen heen zag hij een wolkeloze, pastelblauwe lucht. Gouden zonnestralen liefkoosden zijn geest en deze keer irriteerden ze hem niet, vervloekte hij ze niet, droogden ze hem niet uit, maar vulden ze hem met nieuwe energie. Hij keek naar de plaats waar het zalvende gezang vandaan kwam. Hij keek naar zijn engel en was verbaasd. Ze was zwart, klein en naakt. Haar lichaam glansde in de zon. Ze zat voorovergebogen over een stuk hout met een gleuf erin en bewoog met een andere tak heen en weer. Onderwijl blies ze de vonkjes aan tot een heus vuur. Ze deed dat allemaal heel snel en behendig en pas toen ze klaar was stopte ze met zingen en draaide zich om... Ze stond op en kwam recht op Jan af. Ze was mager, maar sterk en lenig. Gespierde benen onder een strak gespannen buikje, kleine, afgezakte borsten. Lange, donkere, klitterige, ongewassen haren, die voor haar ogen hingen.Ze ging voor hem staan en lachte. Een vonk van herkenning flitste door Jan heen, herkenning van het onbekende, maar toch verwachte. Pas nu zag hij dat ze een soort kommetje in haar handen droeg. Ze sopte er een groot blad in en smeerde daarna met een witte brij zijn schouders, armen, voorhoofd, neus en lippen in. Het gaf hem een vreemd, maar weldadig fris en opgewonden gevoel. Haar haren hingen nog steeds voor haar ogen. Voordat Jan erin had kunnen kijken, liep ze weer weg. Jan keek naar haar smalle heupen, de kleine, gespierde billen, het kuiltje dat de overgang naar haar rug sierde. Hij keek en hij voelde hoe het leven weer bezit nam van zijn lichaam. Ze knielde naast het vuur, pakte een zakje en gooide het leeg. Tanden, botten, stenen, poeders en kruiden rolden over de grond. Vliegensvlug griste ze wat van de spullen bij elkaar, legde ze in het kommetje en zette het boven het vuur. Daarna deed ze een stap opzij. Jan zag nu pas dat daar een cirkel van stenen op de grond lag. Met de spullen uit het verhitte kommetje besprenkelde ze de grond binnen de stenen cirkel. Het deed Jan denken aan een soort ritueel. Opeens, voor het eerst sinds hij zijn engel had gezien, begon die te spreken. Hoewel, spreken, Jan verstond er niets van, het waren meer losse klanken die ze voortbracht, geklak met de tong vooral. Tegelijkertijd begon ze op een strak gespannen dierenvel te slaan. Ze begeleidde het monotone geroffel met gezang. Ondertussen keek ze naar de lucht, naar de zon en van daaruit naar de vier windrichtingen. Het was alsof ze gebeden zong. Ze was volledig in extase…
Home Brigitte in beeld Over Guido Boeken Fotoalbum de Pers Contact en links WeBlog Guido