©2015 Guido Bindels
…Hij zat in de speciale nis van het beekje, zijn geheime plekje. Daar waar hij zich voor iedereen kon terugtrekken, waar het stil was, waar hij tot rust kwam. En van waar hij ongestoord kon kijken naar wie hem zo lief was. Zijn ogen gloeiden, zijn hart bonkte. Vanachter het gordijn van de waterval zag hij hoe ze zich voorover boog over een struik van ongeveer een meter hoog. Hij herkende de harige stengel en de grote aromatische, donzige bladeren van de Pogostemon Patchouli. Het deed hem denken aan vroeger, aan zijn moeder, die de bladeren van deze liefdesplant droogde en in heet water legde. Het gaf een zware, wat grondige, kruidige bloemengeur. Het was de geur die ook haar altijd omringde, een geur die hem tegelijkertijd rustig en opgewonden maakte. Het was een heel vreemde opwinding. Een spanning die alleen maar toenam als zij eraan kwam. Hij kon het niet laten haar steeds maar weer te observeren. Het leek wel alsof ze tegen de plant praatte, alsof ze er ’contact’ mee had. Ze was een bijzondere vrouw, straalde enorm veel energie uit. Warmte, genegenheid, harmonie, waardigheid, ze had zo’n sterke uitstraling dat ze wel heel dicht bij zichzelf, bij haar kern, moest staan. Ze had prachtig lang wit haar, felblauwe ogen, hoge jukbeenderen, stevige borsten en heupen en benen die haar lichaam op een haast zweverige manier deden lopen, zweverig en waardig. Soms dacht hij dat ze één met de natuur was. Hij volgde haar al lang. Stiekem. Al leek het soms alsof zij het in de gaten had, alsof ze hem uitdaagde, plagerig het bloed naar zijn wangen joeg. Een paar keer was er een flits van oogcontact geweest. Dacht hij althans. Maar het zou wel inbeelding zijn geweest. Hij moest er ook niet aan denken betrapt te worden. Dat zou haar enorm in verlegenheid brengen, te schande maken. Hij behoorde immers tot de groep van Zonen van Belial. Zijn mensen gebruikten hun energieën en krachten ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Zijn mensen waren gehecht aan bezit en materie, aan macht, bij hen stond het eigen ego voorop. Zo zag hij dat in elk geval, want hij voelde zich niet thuis in zijn eigen huis, ging er steeds meer in zwart en wit denken.Mensen met een sterke geest, met allemaal hetzelfde doel: in harmonie en tevredenheid een zo spiritueel mogelijk leven leiden, van hun thuis een soort Eden maken. Met liefde voor de natuur. Dankbaar voor elke zonsopkomst. De koningen hadden voor een goed geregelde maatschappij gezorgd. Geweld en armoede waren er niet. Luxe en rijkdom wel. Net als orde en rust. Maar al die luxe en rijkdom maakte lui. Gemakzuchtig. En hebberig. Sommigen wilden steeds meer, wilden de wereld veroveren, oorlogen voeren. Er was een splitsing gekomen. Onder in invloed van mensen die niet tevreden waren met de overvloed die er toch was, die alleen maar meer wilden. Sindsdien was het gedaan met de harmonie op dit eiland… Hij trok zich dat aan, want al was hij dan een van de Zonen van Belial, hij voelde zich toch anders. Al was, in zijn optiek, zijn lichaam hard en hoekig, hij voelde zich toch zacht en rond. Zijn tweelingbroer, die was pas hard, die was alleen maar met zichzelf bezig. Hij voelde zich een beetje als zij, zo wilde hij zich tenminste voelen. Kwam het door zijn moeder, die het nooit eens was geweest met die fanatieke expansiedrift van zijn vader en zijn tweelingbroer? Die, als er ruzie was aan tafel, altijd vrede probeerde te stichten? Die hem ook had aangemoedigd om beeldhouwer te worden, om met zijn handen mooie dingen te scheppen in plaats van er wapens mee op te nemen? Beeldhouwer, de familie had erom gelachen, maar achter al het gehoon had altijd zijn moeder gestaan en hem gezegd dat hij moest doen wat zijn hart hem ingaf, dat hij bijzonder was. Wat miste hij haar. Sinds haar dood voelde hij zich nóg eenzamer. Maar hij was doorgegaan met beeldhouwen. Voor haar. En voor zichzelf. Hij kon niet anders.…Hij schrok wakker uit zijn overpeinzingen omdat hij opeens iemand hoorde bewegen. Door het watergordijn zag hij hoe ze overeind kwam en naar het beekje liep. Ze trok haar witte gewaad uit en gleed het water in. Even zag hij haar volle, volmaakte, naakte lichaam. Het leek wel alsof het licht gaf. Haar borsten waren gezwollen, de tepels hard. En ze kwam recht op hem af! Had ze hem ontdekt? Hij hoopte van niet, maar toch ook van wel. Zijn lippen begonnen te tintelen, zijn hoofd duizelde, zijn hartslag sloeg op hol. Hij zoog zijn onderlip naar binnen, hield zijn adem in en sloot zijn ogen. Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder. De aanraking zond een golf van warme energie door zijn rillende lichaam. Hij voelde kippenvel op armen, benen, borst en billen. Hij wist meteen dat zij het was. Maar hoe had ze hem gevonden? Het watervalletje verborg de nis toch achter een gordijn? Had hij niet goed opgelet, had hij veel minder voor de buitenwereld verborgen gezeten dan hij altijd had gedacht, was al dat kletterende water toch te transparant? Hij durfde zijn ogen niet meer te openen. Een tong tekende een rondje op zijn voorhoofd. Zij kuste zijn oogleden en zoog zachtjes aan zijn bovenlip. Golven van genot schoten door zijn lijf. En toen was er die zoen. Het was alsof ze altijd alleen maar elkaar hadden gekust. Hij duwde zijn tong in haar mond, zachtjes, voorzichtig, angstig toch ook. Maar er was geen tegenstribbeling, geen aarzeling. Ze voelde zacht en meegaand aan. Hij tilde haar uit het water. Het mos op de steen in de nis was warm en behaaglijk…
Fragment uit het boek Aphrodite van Santorini
Home Brigitte in beeld Over Guido Boeken Fotoalbum de Pers Contact en links WeBlog Guido